De beslissing van het Lierse schepencollege om vanaf september 2026 de stedelijke voorschoolse kinderopvang stop te zetten, is voor Vlaams Belang geen “hervorming” maar een afbouw van een basisdienst. Tijdens de gemeenteraad van 2 maart hield gemeenteraadslid Katrien Van Praet het college een juridisch én moreel spiegel voor. “Het stadsbestuur kan zijn verantwoordelijkheid niet afschuiven op leerkrachten,” stelde ze scherp.
“Opvang is geen onderwijsopdracht”
Van Praet vertrok van het wettelijk kader. Het BOA-decreet legt de regierol voor buitenschoolse opvang expliciet bij het lokaal bestuur: plannen, organiseren, coördineren en zorgen dat er voldoende aanbod is. Niet bij de scholen, en al zeker niet bij individuele leerkrachten. “Voorschoolse opvang is géén onderwijsopdracht,” benadrukte Van Praet. Leerkrachten vallen onder een eigen rechtspositieregeling; ochtendopvang valt buiten de onderwijstijd en kan dus niet eenzijdig worden opgelegd. Ze maakte ook een principieel punt over bevoegdheden: de stad is geen werkgever van leerkrachten en heeft geen hiërarchisch gezag over hen. Als leerkrachten toch zouden worden ingeschakeld, kan dat volgens haar uitsluitend vrijwillig en via aparte, waterdichte afspraken over vergoeding, verzekering en aansprakelijkheid. Zonder die afspraken dreigen ernstige arbeidsrechtelijke én aansprakelijkheidsrisico’s, met onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is bij incidenten. “Je kan niet eerst beslissen te stoppen, en daarna hopen dat het onderwijs het wel oplost,” aldus Van Praet.
De impact voor gezinnen is reëel
Van Praet koppelde het juridische aan de realiteit voor ouders. Het stopzetten van de vooropvang treft werkende gezinnen rechtstreeks: werkuren aanpassen, extra opvang regelen of terugvallen op informele hulp die niet iedereen heeft. “Je kan niet besparen op basisopvang voor gezinnen en tegelijk doen alsof het ‘beter is voor het kind’. Dit is geen pedagogische keuze, dit is een budgettaire keuze,” zei ze in de raadzaal. Voor Vlaams Belang gaat het bovendien om een kerntaak van het lokaal bestuur: wie gezinnen en arbeidsparticipatie ernstig neemt, zorgt voor stabiele en voorspelbare opvang. De onzekerheid die nu ontstaat tot 2026 (en vooral daarna) is volgens Van Praet het gevolg van een beleidskeuze, niet van overmacht.
Volg het geld en zeg eerlijk wat verdwijnt
Van Praet wees erop dat Lier via het BOA-decreet Vlaamse middelen ontvangt, bedoeld om opvang en infrastructuur mogelijk te maken. Daarom vroeg ze duidelijke antwoorden: hoe worden die middelen vandaag besteed, en hoeveel opvangplaatsen verdwijnen er effectief door de stopzetting? Ze wilde ook weten of scholen of leerkrachten expliciet of impliciet onder druk worden gezet om opvangtaken op te nemen, en wie dan het risico draagt. Die vragen zijn voor Vlaams Belang essentieel: transparantie over middelen en impact is geen detail, maar de basis om beleid te beoordelen. “Zonder cijfers en garanties blijft dit een sprong in het duister voor ouders,” stelde Van Praet.
Besparingsmaatregel
Burgemeester Verwaest (N-VA) en schepen Goris (N-VA) gaven schoorvoetend toe dat het om een besparingsmaatregel gaat. Goris schermde met een bevraging van vijf jaar geleden waaruit zou blijken dat ouders opvang op school verkiezen, en stelde een tijdelijk proefproject voor waarbij stadspersoneel nog één jaar ondersteuning biedt. Voor Vlaams Belang is dit echter een zwak doekje voor het bloeden. De stad beschikt over de middelen en de bevoegdheden, maar weigert haar verantwoordelijkheid op te nemen. Het doorschuiven van deze taak naar vrijwilligers of overbelaste leerkrachten is moreel noch juridisch verdedigbaar. Voorschoolse opvang is een basisvoorziening, geen luxe die men zomaar kan schrappen.